De haas

DE HAAS

De haas had haast. Hij had zich verslapen, wel drommels nog aan toe. Dat had hij nog nooit meegemaakt. En nu zaten zijn oren ook nog in de knoop. Hij had liggen woelen in zijn hazenslaapje, zeker, maar een knoop in zijn oren? Gebeurde dit ook bij andere hazen? Hij had er nog nooit iets over gehoord. Of durfden ze daar niet over te praten? Het was geen gezicht. En dat net nu hij haast had.

Hij trok eens flink aan een van zijn oren, maar de boel raakte alleen maar meer in de war. Het leek wel een dubbele knoop of zoiets. Hij deed zichzelf zelfs even pijn toen hij driftig doortrok. Trekken hielp dus niet, duwen misschien? Maar hoe duwde je een oor weg dat in de knoop zat met een ander oor? Moest er dan een ander dier aan te pas komen om dit probleem op te lossen? Hij schaamde zich nu al. En hij had haast!

Snel handelen. Besluiten. Hij moest besluiten. Maar om te besluiten moet je iets besluiten, maar wat was dat iets? Zo hard rennen dat de knoop uit zijn oren waaide? Nee, dan moest hij naar buiten en dan zouden alle dieren hem zien. En hem uitlachen. Het was erg druk met dieren op dit tijdstip van de dag. Springen? Hij sprong een paar keer hard op en neer, maar hij stootte zijn hoofd tegen het plafond van zijn hol. Die holletjes waren niet gemaakt om te springen. Voortaan een groter hol maken, dat nam hij zich ernstig voor. Maar vlug, vlug, hij had haast.

Een oplossing! Zijn hol voor een oplossing! Een hoed? Hij was een moment stil van verbazing. Verzon hij dat zelf? Wat je al niet kon verzinnen als de nood aan de haas kwam. Kon hij aan een hoed komen? Hij zag daar mensen weleens mee wandelen. Hé, hadden die soms ook last van knopen in hun oren? Kon hij een hoed maken van zand en graspollen? Dat zou toch veel te lang duren? Hij had haast!

Als hij nu eens op zijn kop ging lopen? Dus met zijn voorpoten als achterpoten, zijn kop naar beneden, zijn achterpoten en zijn staart in de lucht? Dan zouden de dieren denken: ‘Hé, wat gek’ maar ze zouden hem niet herkennen. Dat was weer zo’n goed idee. Hij stond echt versteld van zijn hersenen. Maar niet te lang nadenken over zijn nadenken! Hij had haast.

Haast? De haas was bijna vergeten dat hij haast had. Hij kreeg plezier in zijn gedachten. Buiten zou hij hard flappen met zijn voor-achterpoten zodat het zand op zou waaien. Hiermee zou hij een stofwolk veroorzaken zodat de dieren hem niet konden zien. Dan zouden ze zeggen: ‘Hé, daar gaat een stofwolk.’ En misschien zou de wind dan de knoop ontwarren. En als hij dan ook nog zijn ogen dicht zou doen, dan zou het net zijn alsof de andere dieren er niet waren.

Allemaal leuke ideeën zeg, dat wel. Maar ondertussen zat hij nog steeds in zijn hol haast te hebben.

Hij kreeg honger, hij had nog maar één wortel in zijn hol, hij moest naar buiten, op naar het wortelveld! Hij trok nog eens aan zijn oren. ‘Au.’ Het kwam er harder uit dan dat hij wilde.
‘Is er wat, haas?’ O jee, nu had de kat hem gehoord. Akelig beest, was dat, de kat.
‘Au, zei ik. Dat mag toch wel?’
‘Heb je je bezeerd, moet je huilen?’
‘Hazen huilen niet, heb je weleens een haas zien huilen, doe niet zo belachelijk!’
‘Je kunt toch de éérste huilende haas zijn?’
Die kat mocht dan een akelig beest zijn, maar hij kon meestal leuk nadenken, ook nu weer. Het maakte hem ietsje minder akelig.
‘Kan ik je ergens mee helpen, haas?’
De gedachten van de haas schoten heen en weer. ‘Zou hij mij echt willen helpen of zou hij doen alsof.’ ‘Katten zijn zo sluw!’ ‘Hij heeft scherpe nagels’ ‘Maar die kan hij ook intrekken en dan kan hij mijn oren ontwarren en dan kan ik weg, want ik moet weg. Ik heb haast.’
De haas zuchtte diep. ‘Zeg kat, kom maar binnen.’
‘Wat leuk’, zei de kat. ‘Heb je melk?’
Brutaal hoor, katten.
En daar kwam de kat binnen geslopen, op zijn hoede, want naast nadenkend, sluw en brutaal zijn katten altijd op hun hoede.
‘Is hier gevaar?’
‘Roep ik straks ook au?’
‘Wat is er aan het handje?’
Dat dacht de kat allemaal, maar hij zei: ‘Waar staat de melk?’ en ‘Hé, wat een leuke knoop heb je in je oren!’

‘Wat?’ zei de haas?
‘Die knoop. In je oren!’ De kat keek eens goed. ’Dat wil ik ook’.
‘O… eh… ja… mooi hè? Ik was eens aan het nadenken, dat doe ik graag, en…’
‘Ja, ik ook’, zei de kat. ‘Er gaat niets boven nadenken en melk.’
‘… En toen dacht ik… laat ik eens iets anders proberen… Ik had toch geen haast, dus toen heb ik mijn oren in de knoop gelegd… Een experiment.’
‘Mooi hoor en nu mijn melk.’
‘Ik heb geen melk. Ik ben geen haas met melk. Ik heb wel een wortel.’
‘Een wortel? Misschien moet ik die eens proberen.’

En zo wandelden ze naar buiten. De haas met zijn oren in de knoop en de kat knabbelend aan een wortel.

Tekst: Aart van den Berg

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *